Broertjes

Foto: Reformatorisch Dagblad

2016

Burgemeester Broertjes van Hilversum wint bij Raad van State

De Afdeling oordeelde op 14 december jl. dat het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (het College) een vuurwerkvrije zone mocht instellen.

Het College heeft op grond van artikel 2.7.3 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Hilversum (APV) bij besluit een deel van het centrum aangewezen waar rond de jaarwisseling geen consumentenvuurwerk mag worden afgestoken (het Aanwijzingsbesluit). Een aantal vuurwerkhandelaren in Hilversum vrezen omzetdaling omdat er door het vuurwerkverbod volgens hen minder vuurwerk zal worden verkocht, en hebben tegen het Aanwijzingsbesluit hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

De vuurwerkhandelaren voeren in hoger beroep aan dat de burgemeester en niet het College bevoegd is een vuurwerkverbod in te stellen, dat het aanwijzingsbesluit in strijd is met het Vuurwerkbesluit en de Notificatierichtlijn en dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen.

Omtrent de bevoegdheid overweegt de Afdeling dat het Aanwijzingsbesluit niet ziet op het ‘feitelijk herstellen en bewaren’ van de openbare orde, waartoe de burgemeester exclusief bevoegd is, als gevolg waarvan de bevoegdheid (ook) aan het College kan worden toebedeeld. Het College was dus bevoegd om het Aanwijzingsbesluit te nemen.

Het Aanwijzingsbesluit is ook niet in strijd met het Vuurwerkbesluit. Het Vuurwerkbesluit geeft minimale waarborgen, die met name betrekking hebben op technische vereisten. Regels over het aanwijzen van plaatsen voor het al dan niet ontsteken van vuurwerk zijn in het Vuurwerkbesluit niet opgenomen. Het Vuurwerkbesluit is volgens de Afdeling dan ook geen een uitputtende regeling, als gevolg waarvan artikel 2.7.3 lid 1 APV niet onverbindend is.

De vuurwerkhandelaren stellen dat het Aanwijzingsbesluit op grond van de Notificatierichtlijn gemeld had moeten worden aan de Europese Commissie, omdat het een beperking vormt van het gebruik van vuurwerk en de verkoop ervan en dat zij in een slechtere positie raken ten opzichte van andere vuurwerkverkopers die niet worden getroffen door een dergelijk verbod .

De Afdeling overweegt dat het gebruiksverbod landelijk gezien van zeer beperkte invloed zal zijn op de verhandeling van consumentenvuurwerk. Voor zover de vuurwerkhandelaren ervoor vrezen dat meer gemeenten in Nederland op grond van hun APV gebieden gaan aanwijzen waar geen vuurwerk mag worden afgestoken en op die manier de regelingen gezamenlijk een landelijk effect zullen hebben, overweegt de Afdeling dat zelfs als in de toekomst meerdere gemeenten een vergelijkbare regeling voor een qua omvang vergelijkbare lokale beperking in een bepaald gebied invoeren, dit nog niet tot gevolg heeft dat het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van een lidstaat wordt verboden. De Afdeling oordeelt dus dat de Notificatierichtlijn niet van toepassing is op het Aanwijzingsbesluit.

Over het omzetverlies van de vuurwerkhandelaren oordeelt de Afdeling dat dit een belang is dat door het College bij de besluitvorming moet worden meegewogen. In het onderhavige geval heeft het College dit ook gedaan maar daaraan geen doorslaggevend gewicht toegekend, mede omdat het omzetverlies door de vuurwerkhandelaren niet aannemelijk was gemaakt. In hoger beroep hebben de vuurwerkhandelaren onderbouwd dat de verkoop van consumentenvuurwerk na het Aanwijzingsbesluit in winkel A met ongeveer 10% was afgenomen en in winkel B met ongeveer 5%. Naar het oordeel van de Afdeling is het omzetverlies wat betreft de vuurwerkverkoop niet zodanig dat het College daaraan een doorslaggevend gewicht diende toe te kennen ten opzichte van de belangen (gevaar en overlast) die met het Aanwijzingsbesluit zijn gemoeid.

Een opsteker voor gemeenten die vuurwerkvrije zones hebben ingesteld. Het succes daarvan blijkt in de praktijk helaas wel afhankelijk van effectieve handhaving.

Bron: Janneke Sinnige, wieringa-advocaten.nl